Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Onderzoeksrapporten

Leren van parlementair onderzoek

Ministeries kunnen beter nagaan of de lessen uit parlementaire onderzoeken en enquêtes in de praktijk worden verzilverd. Dat blijkt uit het rapport dat wij op 11 oktober 2007 publiceerden.

Leren van parlementair onderzoek PDF, 322 kB


We hebben onderzocht welke uitwerking de uitkomsten van parlementaire onderzoeken hebben op ministeries. Worden er lessen getrokken, en beklijven die? Hoe zou bevorderd kunnen worden dat er structureel méér van parlementaire onderzoeken wordt geleerd?

Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van drie casussen: 'Evaluatie opsporingsmethoden' (commissie-Kalsbeek, 1999), 'Besluitvorming uitzendingen' (commissie-Bakker, 2000) en 'Bouwnijverheid' (commissie-Vos, 2002).

Algemeen beeld

De aanbevelingen van parlementaire onderzoekscommissies zijn doorgaans gericht op zowel op het oplossen van incidentele problemen als het aanpakken van de onderliggende oorzaken. De verbeteracties van departementen na een parlementair onderzoek richten zich in eerste instantie ook zowel op incidentele als structurele zaken. Uiteindelijk wordt echter de meeste energie gestoken in eenvoudige maatregelen die snel tot zichtbare resultaten leiden.

De aanbevelingen en verbetermaatregelen blijken beter te beklijven als de implementatie gevolgd wordt door een evaluatie.

Conclusies uit de drie casussen

De commissie-Kalsbeekbeval in 1999 aan om de effectiviteit van de opsporing te versterken door middel van meer expertise en betere informatie-uitwisseling bij politie en justitie. Het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie hebben stappen gezet om deze aanbevelingen in de praktijk te brengen. Deze centraal geleide initiatieven sorteren echter weinig zichtbaar effect. De afzonderlijke regiokorpsen hebben ook initiatieven ontplooid, bijvoorbeeld gericht op informatiegestuurde opsporing, met meer succes. Maar deze initiatieven verschillen van regio tot regio. Dit gebrek aan uniformiteit werkt negatief uit op de effectiviteit van de opsporing en levert risico's op voor de rechtsgelijkheid.

De commissie-Bakkerbepleitte betere informatievoorziening over de besluitvorming over deelname aan vredesmissies. De betrokken ministers hebben naar aanleiding hiervan het 'Toetsingskader uitzending militaire eenheden' herzien. De informatievoorziening aan de Kamer is daardoor nu gestructureerder en evenwichtiger.

De toepassing van het herziene toetsingskader geeft in de praktijk echter problemen. Zo blijken de formele vereisten uit het toetsingskader soms op gespannen voet te staan met de tijdsdruk die de internationale politieke actualiteit met zich meebrengt. Dat kan ertoe leiden dat besloten wordt tot uitzending van militairen terwijl nog niet alle relevante informatie beschikbaar is.

Het toetsingskader kan daarnaast niet voorkomen dat soms onduidelijk is op grond van welke informatie en afwegingen het kabinet een besluit tot uitzending heeft genomen.

De commissie-Vosheeft de omvang van de onregelmatigheden in de bouwsector blootgelegd. Nieuwe wet- en regelgeving heeft inmiddels het aanbestedingsproces transparanter gemaakt. De aandacht voor innovatie in de bouwsector als middel om onregelmatigheden tegen te gaan, is daarbij achtergebleven. Met innovatieve bouwwijzen kunnen ondernemers zich kwalitatief onderscheiden en dat verkleint de behoefte om prijsafspraken te maken.

De bouwenquête maakte ook duidelijk dat bij de overheid organisatie- en cultuurveranderingen nodig waren. Daaraan hebben de departementen wel gewerkt, maar de resultaten zijn nog niet overal zichtbaar. Zo beschikt de Rijksgebouwendienst nog niet over een aanbestedingsstrategie en is de alertheid op signalen van onregelmatigheden hier nog niet groot. Dat laatste geldt ook voor Rijkswaterstaat. De expertiseopbouw van forensische accountancy binnen het Rijk staat nog steeds in de kinderschoenen.

Aanbevelingen bij de drie casussen

Opsporing. Problemen die de politie op uitvoerend niveau ondervindt bij het gebruik van opsporingsmethoden moeten beter worden teruggekoppeld naar het regelstellende niveau (Ministerie van Justitie en OM). We pleiten voor herinvoering van een centrale voorziening ter versterking van expertise binnen de opsporing. Ook moet er snel een deugdelijk functionerende bovenregionale informatiehuishouding komen. Zonodig moet de minister van BZK haar bevoegdheden gebruiken om dit af te dwingen.

Besluitvorming uitzendingen. De ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie zouden de Tweede Kamer moeten melden welke informatie ten tijde van een besluit over uitzending nog niet bekend is. Ook bevelen we aan om de werking van het herziene toetsingskader in de praktijk te evalueren.

Bouwnijverheid. De Rijksgebouwendienst en Rijkswaterstaat zouden periodiek hun aanbestedingsresultaten moeten analyseren op signalen van marktverdeling. Om de meldingsbereidheid van de aanbestedende diensten optimaal te laten zijn, zou de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) de diensten na melding van een onregelmatigheid standaard op de hoogte moeten houden van haar vervolgacties.

Reactie ministers

De bewindspersonen van de departementen die betrokken waren bij de drie parlementaire onderzoeken, de NMa en de Raad van Hoofdcommissarissen hebben uitgebreid op onze conclusies en aanbevelingen gereageerd. Een samenvattende weergave hiervan is opgenomen in deel I van het rapport.

Stand van zaken

Het rapport is op 11 oktober 2007 naar de Tweede Kamer gestuurd.


 

Volledige versie