Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Onderzoeksrapporten

Detentie, behandeling en nazorg voor criminele jeugdigen

De detentie van criminele jeugdigen leidt tot een mager resultaat. Dit blijkt uit het op 4 oktober 2007 verschenen rapport van ons onderzoek naar justitiële jeugdinrichtingen. Verdiepende informatie beschikbaar.

Detentie, behandeling en nazorg voor criminele jeugdigen PDF, 4695 kB


Jeugdige delinquenten worden bij de strafrechtelijke reactie op gepleegde delicten anders behandeld dan volwassen daders. Jeugdigen vallen namelijk onder het jeugdstrafrecht en hierin staat opvoeding centraal. In ons onderzoek Detentie, behandeling en nazorg criminele jeugdigen hebben we ons geconcentreerd op deze opvoedende taak. In het onderzoek hebben we gekeken in welke mate de veertien justitiële jeugdinrichtingen de kans op toekomstig crimineel gedrag bij criminele jeugdigen verminderen. We richtten ons op de groep jeugdigen die 'jeugddetentie' of 'plaatsing in een inrichting voor jeugdigen' als sanctie opgelegd hebben gekregen en die worden opgevangen of behandeld in een justitiële jeugdinrichting. Het onderzoek geeft inzicht in de bijdrage die de inrichtingen leveren aan het verbeteren van gedrag, houding, omstandigheden of perspectieven van de criminele jeugdigen.

De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in drie delen: de conclusies staan in deel I; in deel II staan de ondersteunende bevindingen uit ons onderzoek en in deel III zijn de methodologische verantwoording, achtergrondgegevens en tabellen opgenomen. Deel I en II zijn in druk verschenen en ook als pdf downloadbaar. Deel III is alleen als pdf downloadbaar.

·Deel III in pdf

Belangrijkste conclusies

Wij plaatsen kanttekeningen bij de opzet van het stelsel, maar vooral bij het feit dat de uitvoering op nogal wat punten sterk afwijkt van het papieren beleid. De minister van Justitie heeft in wet- en regelgeving en in beleid voorwaarden geformuleerd waaraan detenties en behandelingen in een inrichting moeten voldoen. Die voorwaarden lijken een sluitend geheel te vormen, maar wij concluderen dat ze niet alle jeugdigen een even sterke wettelijke verankering bieden. Wij concluderen echter vooral dat de regels en de werkelijkheid in de inrichtingen twee verschillende werelden blijken te zijn, met een mager - en kostbaar - resultaat voor jeugdigen en samenleving.

Tijdens het verblijf van de jeugdigen in een inrichting is winst te behalen in het planmatig werken aan een verblijfs- of behandelplan. Wij vinden het wel positief dat de verblijfs- of behandelplannen van de inrichtingen veelal (mede) zijn gebaseerd op onderzoeken of testresultaten die op een eerder moment tijdens de behandeling van de strafzaak tot stand zijn gekomen. In de plannen wordt sterk de nadruk gelegd op het verbeteren van de persoonlijke effectiviteit van de pupillen. Inrichtingen zetten bij de meeste jongens zaken als het bevorderen van sociaal gedrag, en het beheersen van spanning en agressie op de agenda. Veel minder vaak werd echter ingezet op het verbeteren van erkende problemen in de leefomgeving van de jeugdige (bijvoorbeeld het voorkomen van middelengebruik of schuldsanering) en een delictanalyse. Ook werden de ouders of verzorgers van de jeugdige meestal niet betrokken bij het opstellen van het plan.

Inrichtingen moeten de jeugdigen ook voorbereiden op hun terugkeer naar de maatschappij. Zij kunnen dit op verschillende manieren doen, bijvoorbeeld door hen een geleidelijke overgang van de gesloten opvang of behandeling naar een meer open plaats te bieden. Meer en beter gebruik maken van deze geleidelijke overgangen zou bevorderlijk zijn voor een succesvolle terugkeer van de jeugdigen in de maatschappij. Nazorg na terugkeer zorgt ook voor minder recidive en volgens ons zouden de instellingen dit instrument vaker kunnen inzetten.

Belangrijkste aanbevelingen

In onze ogen is de eerste prioriteit dat zowel de inrichtingen als de minister van Justitie inzetten op aanmerkelijke verhoging van de effectiviteit van verblijf en behandeling in de jeugdinrichtingen. Papieren beleid moet óf door de inrichtingen nageleefd worden óf de onmogelijkheid daarvan moet bespreekbaar worden gemaakt, zodat er ruimte ontstaat om oplossingen te zoeken.

Wij bevelen de minister van Justitie aan de wettelijke uitgangspunten zodanig aan te passen dat er voor meer groepen jeugdigen en op een eerder moment tijdens het verblijf in de jeugdinrichting planmatig gewerkt moet worden. Ook bevelen wij aan om belangrijke knelpunten voor de inrichtingen op te lossen, zoals de wachttijden voor het beschikbaar komen van behandelplaatsen en de opleiding en beloning van groepsleiders.

Reactie bewindspersonen en inrichtingen

De staatssecretaris van Justitie heeft op 4 september 2007 gereageerd op dit rapport, mede namens de ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin. In die reactie is ook de reactie van de zes rijksinrichtingen verwerkt. Het Jongeren Opvangcentrum heeft laten weten zich te kunnen vinden in de reactie van de bewindspersonen. Jongerenhuis Harreveld en de Fentrop Stichting (de overkoepelende organisatie van Harreveld en Teylingereind) stuurden een schriftelijke reactie. De OG Heldringstichting heeft laten weten geen opmerkingen te hebben. Van Het Poortje, Rentray, Het Keerpunt en De Sprengen hebben wij geen reactie ontvangen.

De staatssecretaris van Justitie en de ministers van Justitie en voor Jeugd en Gezin hebben met belangstelling kennisgenomen van het conceptrapport en menen dat het waardevolle aanbevelingen bevat. De bevindingen en adviezen sluiten deels aan op ontwikkelingen die in de sector inmiddels in gang gezet zijn en leveren daarnaast aanvullingen.

De algemeen directeur van het Jongerenhuis Harreveld meent dat het rapport een grote bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de zorg voor de jeugdigen binnen de sector. De conclusies zijn volgens hem helder en geven concrete handvatten voor verbetering.

Het bestuur van de Fentrop Stichting is verheugd dat met het onderzoek zo kritisch is gekeken naar het stelsel van regels en condities die gelden voor jeugdinrichtingen en de erkenning die daaruit naar voren komt voor de complexe omgeving waarin wordt geopereerd.

Stand van zaken

Het rapport is op 4 oktober 2007 naar de Tweede Kamer gestuurd.


 

Volledige versie