Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Publicaties Onderzoeksrapporten

Bescherming van natuurgebieden

Natuurbeschermingsbeleid draagt onvoldoende bij aan bescherming natuur. Compensatie natuurschade beperkt nageleefd.

Bescherming van natuurgebieden PDF, 342 kB


Wij hebben onderzoek gedaan naar de planologische bescherming van natuurgebieden. Het uitgangspunt van het natuurbeschermingsbeleid van het Rijk is: ingrepen in natuurgebieden zijn niet toegestaan als ze de natuur beschadigen. Er geldt daarbij wel een uitzondering, namelijk als er geen alternatieven zijn en het maatschappelijk belang van de ingreep groot is. Dit is het 'nee, tenzij'-regime. Een ander uitgangspunt van het natuurbeschermingsbeleid is: de natuurschade bij de ingreep moet zoveel mogelijk worden beperkt. De resterende natuurschade moet worden gecompenseerd met gelijkwaardige natuur. Dit is het 'compensatiebeginsel'.

Wij hebben de praktijk onderzocht aan de hand van een tiental concrete projecten waarbij een ingreep in beschermde natuur plaatsvond door de aanleg van bijvoorbeeld een weg, een bedrijventerrein, een woonwijk of een golfbaan.

Conclusies

De door ons onderzochte casussen laten zien dat initiatiefnemers van ruimtelijke projecten (gemeenten en particuliere projectontwikkelaars) het 'nee, tenzij'-regime niet goed toepassen. De wijze waarop de procedures worden doorlopen biedt geen daadwerkelijke bescherming tegen aantasting van natuurgebieden; ingrepen in de natuur ondervinden hooguit enige vertraging. De ingrepen, ook die met een relatief klein maatschappelijk belang, vinden doorgaans uiteindelijk gewoon doorgang op de geplande locatie. Dat betekent dat natuur wordt aangetast waar dat had kunnen en moeten worden vermeden.

Het compensatiebeginsel wordt bij ingrepen in de natuur slechts gedeeltelijk nageleefd. De natuurschade werd bij geen van de door ons onderzochte projecten beperkt of verzacht. Daarnaast ontbraken bij de uitvoering van de compensatie waarborgen voor kwalitatief gelijkwaardige natuur. Compensaties worden in de helft van de gevallen gedeeltelijk of zelfs helemaal niet uitgevoerd.

De uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid door provincies en gemeenten blijkt al met al niet altijd overeen te komen met de bedoelingen van het Rijk. Het natuurcompensatiebeleid draagt daardoor in de praktijk nauwelijks bij aan de bescherming van de natuur. Het gevolg is dat de ruimtelijke samenhang en de kwaliteit van beschermde natuurgebieden onder druk staan.

Aanbevelingen

We vinden dat het toezicht op de uitvoeringspraktijk scherper moet. De minister van VROM zou moeten zorgdragen voor een registratiesysteem waarmee provincies goed toezicht kunnen houden op de uitvoering van het 'nee, tenzij'-principe en het compensatiebeginsel bij ruimtelijke ingrepen in de natuur.

Ook de handhavingsbevoegdheden van de gemeente zouden moeten worden uitgebreid met onder meer de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen of bestuursdwang toe te passen. Ook de VROM-Inspectie zou bij het toezicht op ingrepen in beschermde natuur een grotere rol moeten spelen.

Hier is functiescheiding tussen uitvoering en handhaving eveneens een punt van aandacht, omdat gemeenten bij ingrepen in de natuur vaak initiatiefnemer zijn, of zich sterk met initiatiefnemers identificeren.

De minister van VROM zou ruimtelijke plannen van provincies en gemeenten die betrekking hebben op natuurgebieden, nadrukkelijker preventief moeten toetsen. Ook is het voor de planologische verankering van beschermde natuur van belang dat de minister van VROM beter toeziet op het tijdig aanpassen van bestemmingsplannen.

De ecologische kennis en expertise op lokaal niveau zou vanuit het Rijk moeten worden verbeterd door bijvoorbeeld training en voorlichting te verzorgen.

Aan de hand van een evaluatie van het natuurbeschermingsbeleid zou de minister van VROM, samen met de minister van LNV, verbeteringen moeten doorvoeren in de planologische procedure die geldt bij ingrepen in beschermde natuur.

Reactie ministers van LNV en VROM

De minister van LNV heeft mede namens de minister van VROM gereageerd op onze conclusies en aanbevelingen. Ze geeft aan dat veel verbeteringen al in gang zijn gezet en dat ze het rapport daarom ziet als een signaal dat haar ministerie op het juiste spoor zit.

Stand van zaken

Het rapport is op 21 juni 2007 naar de Tweede Kamer gestuurd.


 

Volledige versie