Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Actueel Onderzoeksrapporten

Europees handelssysteem voor CO2-emissierechten: implementatie in Nederland; Terugblik 2009

Na publicatie van een onderzoek monitoren wij enkele jaren of ministers onze aanbevelingen opvolgen en hun toezeggingen nakomen. De uitkomsten publiceren we in ‘terugblikken’. Deze terugblik betreft ons onderzoek uit 2007 naar het EU-systeem om CO2-uitstoot te verminderen. Bedrijven die veel CO2 uitstoten moeten in dit systeem emissierechten hebben. Als zij hun CO2-uitstoot weten te reduceren kunnen zij overtollige rechten verkopen aan andere bedrijven.


In ons onderzoek uit 2007 stond de vraag centraal of Nederland het EU-systeem voor handel in CO2-emissierechten zodanig had geïmplemen­teerd en of het zodanig werkte, dat de doelen van het Neder­landse Kyotobeleid konden worden gehaald. Wij constateerden dat dit op hoofdlijnen het geval was. We vonden wel dat Nederland bij de vaststelling en de verdeling van de totale hoeveelheid CO2-emissierechten wat ruimhartig had gelet op de belangen en de concurrentiepositie van de industrie en de elektriciteitsproducenten en minder op het Nederlandse Kyotodoel. Ook vonden we dat de implementatie van het handelssysteem op sommige punten weinig transparant was verlopen.
Wij deden de ministers van VROM en van Economische Zaken (EZ) een aantal aanbevelingen. In hoeverre zijn deze aanbevelingen opgevolgd?
Om te beginnen zijn de ministers hun toezegging om in Europa te pleiten voor zo groot mogelijke harmonisatie van het emissiehandelssysteem, nagekomen. Op een aantal andere punten hebben de ministers onze aanbevelingen echter niet of nog niet opgevolgd. 
Zo constateerden wij in 2007 dat het Europese CO2-emissiehandelssysteem overlapt met het bestaande Nederlandse beleid voor duurzame energie. Daardoor is dat beleid minder effectief geworden in het verlagen van de CO2-uitstoot. Wij vonden dat het kabinet had moeten bekijken hoe de kosten en baten van het duurzame energiebeleid zich na de invoering van het emissiehandelssysteem tot elkaar verhielden en op basis daarvan de inzet van ieder instrument had moeten heroverwegen. Wij constateren nu dat dit nog niet is gebeurd. 
Verder blijkt uit ons onderzoek dat de invoering van risicogericht toezicht bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) nog een aandachtspunt blijft. Het aantal bedrijven dat deelneemt aan het CO2-emissiehandelssysteem is toegenomen, maar capaciteit voor toezicht en handhaving bij de NEa is gelijk gebleven. Dat gegeven maakt het noodzakelijk dat de NEa keuzes maakt en de planning van haar toezichtactiviteiten op risicoanalyse baseert.
Ook een derde aanbeveling uit 2007 is nog niet opge­volgd. In 2007 constateerden wij dat de informatiewaarde van de verificatieverklaringen bij de emissieverslagen veelal beperkt was, omdat de meeste verificateurs in hun verklaring alleen ingingen op de juistheid van de emissiecijfers. Zij namen in de verklaring meestal geen bevindingen op over de naleving van het monitoringplan door het bedrijf, terwijl de NEa die informatie juist goed zou kunnen gebruiken bij haar toezichtactiviteiten. Daarom adviseerden wij de ministers om de verificatieverklaringen meer inzicht te laten bieden in de werking van het monitoring-, toezicht- en verificatiesysteem, bijvoorbeeld door de verificateurs te verplichten in de verklaring ook aanbevelingen aan het bedrijf op te nemen voor de verbetering van de monitoring van de CO2-emissies. De ministers hadden toegezegd om de mogelijkheden daarvoor te onderzoeken; wij constateren nu dat dit nog niet is gebeurd.


Wij bevelen de ministers van EZ en van VROM aan om voor elk instrument uit het Nederlandse duurzame energiebeleid de kosten-batenverhouding opnieuw te bekijken, en op basis daarvan de inzet van ieder instrument te heroverwegen.
Wij bevelen verder aan dat de NEa de ingezette omschakeling naar risicogericht toezicht snel afrondt. We hopen dat het door de NEa aangekondigde themaonderzoek hierin voorziet.

 

De ministers van EZ en VROM verwachten dat het project ‘Interactie milieubeleidsinstrumenten’ van het Centraal Plan­bureau voldoende informatie zal opleveren om goede afwegingen te kunnen maken binnen het duurzame milieu- en energiebeleid.
De ministers onderschrijven het belang van een overgang naar een meer op risicoanalyse gebaseerde vorm van toezicht bij de NEa. Zij verwachten dat het benodigde automatiseringsproces vanaf 2010 beschikbaar is.
De ministers verkennen de mogelijkheden om informatie die al beschikbaar is bij de verificateur, te gebruiken bij de verbreding van de verificatieverklaring aan de NEa. De resultaten van het themaonderzoek zullen worden gebruikt voor het Europese overleg over de verificatie van emissieverslagen, de accreditatie van en het toezicht op verificateurs.

 

 

null